2006/513
PREAMBULE - Op weg naar Damascus door Arthur van Amerongen
(BRUSSEL, november 2006) -- Op het verlaten perron van station Mechelen klinkt schelle marsmuziek. Een winteravond in Vlaanderen. De boemel naar Brussel is leeg. We staan nodeloos lang stil op spookstations: Weerde, Eppegem, Vilvoorde, Buda, Schaarbeek. Pas op station Brussel-Noord komt er wat leven in de brouwerij.
Het schijnsel van de rode neonlichten in de Van Aarschotstraat komt mij haast weldadig voor, als de infraroodlamp van Philips waarmee mijn moeder haar reumapijn probeerde te verzachten. De hoeren wiebelen achter de ramen. Ik ken de stationsbuurt als mijn broekzak, het afgelopen half jaar heb ik hier dagelijks rondgestruind. Het is een wonderlijk amalgaam van peepshows, peeskamers, frituren, kebabzaken, slijterijen, staminees met zatte hoerenlopers, winkels van Sinkel volgestouwd met rotzooi uit het Verre Oosten, islamitische boekhandels en illegale moskeeën. De islam woekert en gedijt hier, als een roos op een mestvaalt.
Ik kom terug van een gastcollege dat ik gaf aan studenten journalistiek op de Hogeschool van Mechelen. In een kille bunker die vroeger een bierbrouwerij was sprak ik met aarzeling over mijn boek in wording. Ik vertelde de studenten dat ik sinds het voorjaar van 2006 ondergedoken was in de islamitische gemeenschap van Brussel. Een berichtje in een krant van 10 november 2005 stond aan de basis van deze hachelijke onderneming. De Belgische Muriel Degauque had zichzelf een dag eerder opgeblazen naast een groep politieagenten in Baquba, benoorden Bagdad. Zelf stierf ze onmiddellijk, een militair raakte gewond. In de omgeving van de krater die de explosie had veroorzaakt, vonden Amerikaanse veiligheidstroepen een Belgisch paspoort. Uit de stempels van de pas - met een foto van Degauque zonder sluier – bleek dat ze met haar echtgenoot Issam Goris per auto via Turkije en Syrië naar Irak was gereden.
Muriel Degauque ging de geschiedenis in als de eerste blanke Europese martelares van Al Kaida. Haar graf bevond zich nu ergens in Irak. Van een ruige meid die alles deed wat God verbood, was ze in een radicale moslima veranderd. Kort na de aanslag werd haar man doodgeschoten door Amerikaanse mariniers. Hij stond op het punt een zelfmoordaanslag te plegen. Een kogel door zijn hoofd vervroegde zijn hemelvaart met luttele seconden. Niet lang na de aanslagen werd in Brussel Pascal Cruypennick gearresteerd. Na een criminele carrière had hij zich in de gevangenis bekeerd tot de islam. Cruypennick werd beschouwd als de leider van een cel die zelfmoordcommando’s voor Irak had geronseld, waaronder Muriel Degauque.
Ik vertelde de studenten dat de zaak-Degauque geen geïsoleerd incident was en dat ik daarom in Brussel, in het hol van de leeuw, moslim wilde worden. Er waarde een spook door de Belgische hoofdstad. Kort na de aanslagen in Amerika op 11 september 2001 bezwoer de Belgische regering haar onderdanen dat er geen enkele dreiging was van terroristen. Maar in werkelijkheid was de hoofdstad van Europa toen al een bolwerk van moslimextremisten. Noureddine el F., een van de veroordeelde leiders van de Hofstadgroep, had jarenlang een huis in Brussel. Op 1 februari 2005 werd Youssef Belhadj gearresteerd in Brussel, op verdenking van betrokkenheid bij de aanslagen in Madrid. Hij was een van de belangrijkste leiders van Al Kaida in Europa. Op 11 maart 2004, op de dag dat de bommen in Madrid afgingen, werden zes mannen van de gevangenis naar het Paleis van Justitie in Brussel gebracht. Onder hen bevonden zich Tarek Maroufi en Nizar Trabelsi. Trabelsi, voormalig profvoetballer in de Duitse Bundesliga, had aanslagen beraamd op een militaire basis in België, de Amerikaanse ambassade in Parijs en de Philips-toren in Brussel. Tarek Maroufi werd er van verdacht Belgische moslims te hebben gerekruteerd voor de jihad, waaronder de moordenaars van Ahmed Sjah Massoud, de leider van de Noordelijke Alliantie in Afghanistan. De twee daders hadden paspoorten gebruikt die tussen 1990 en 2000 gestolen waren in het Belgische consulaat in Straatsburg en de Belgische ambassade in Den Haag. Dahmane Abd El-Sattar ¬en Bouraoui El-Ouaer waren van Tunesische afkomst en woonachtig in Brussel. Ze hadden zich in Afghanistan voorgedaan als journalist en cameraman van Arabic News International. Hun laatste vraag aan Massoud was: ‘wat gaat u doen met Ben Laden als u Afghanistan heroverd heeft.’ Vervolgens blies de cameraman zich op. Ahmad Sjah Massoud was op slag dood, net als de dader. Diens handlanger werd doodgeschoten door soldaten van de Noordelijke Alliantie. Twee dagen voor de aanslagen in Amerika had Al Kaida haar belangrijkste tegenstander in Afghanistan omgebracht. In februari 2005 maakte minister van justitie Laurette Onkelinx schoorvoetend bekend dat er een bomaanslag was verijdeld op de nieuwe TGV-tunnel van het station van Antwerpen. Bij de opening zouden 70.000 bezoekers komen.
Ik vertrouwde de studenten toe dat er, los van de terreurdreiging in Brussel, nog een reden was waarom ik dit boek wilde schrijven. Tijdens de research had ik ontdekt dat er curieuze overeenkomsten waren tussen mij en Muriel Degauque. Beiden hadden we in een kwetsbare fase van ons leven een broer verloren. Net als de Belgische had ik een turbulent leven geleid, vol mislukte relaties en buitensporig drank- en drugsgebruik. Ook ik had een buitengewone belangstelling voor de islam. Het was mij al eerder opgevallen dat relatief veel nieuwe moslims in hun vorig leven harddrugs hadden gebruikt. Richard Reid, de shoe bomber uit Engeland, was een hardnekkige junk en draaideurcrimineel die in de gevangenis het licht had gezien. Veel verslaafde Marokkanen keerden in de bajes terug naar hun wortels. Ik opperde dat mijn voormalige heroïneverslaving mijn bekeringscarrière dus wel eens kon bespoedigen. De studenten keken alsof ze water zagen branden. Ik besefte dat er in België een zwaar taboe rustte op drugsgebruik en vreesde dat deze brave borsten mij na deze openhartigheid als een psychiatrische patiënt zouden beschouwen, niet als de doorwinterde journalist die op de website van hun opleiding was aangekondigd. Ik moest nog twee uur vullen en wilde van lieverlee aan de powerpoint-presentatie beginnen. Een bijdehante student vroeg mij fijntjes of ik mijn werkwijze ethisch kon verantwoorden. ‘Was het niet uiterst dubieus dat u zich voordeed als een potentiële bekeerling, puur uit journalistiek effectbejag?’ Ik had die vraag verwacht maar stond desondanks even met de mond vol tanden. Een roodharige studente met sproeten vroeg mij oprecht bezorgd of ik niet bang was voor represailles uit de islamitische gemeenschap na het verschijnen van het boek. Was mij dan niet hetzelfde lot beschoren als Theo van Gogh? Ik aarzelde opnieuw. Moest ik haar vertellen dat Theo op mijn bruiloft verkleed als imam een preek zou geven maar dat hij amper een week voor het feest was vermoord? Ik wilde nu vooral niet aan mijn scheiding terugdenken, die net zo snel tot stand was gekomen als het huwelijk. De studente droeg een alpinopet en een groene sjaal en had mij onafgebroken aangestaard vanaf het moment dat ik binnenkwam. Soms lachte ze verlegen waardoor haar glinsterende beugel zichtbaar werd. Het was doodstil geworden in de collegezaal. Ik frummelde aan mijn laptop en vertelde het sproetenkopje dat dit dilemma mij inderdaad van mijn nachtrust had beroofd en voegde daar aan toe dat ik onverrichter zake naar Nederland terug had kunnen keren als ik in de islamitische gemeenschap van Brussel had rondgebazuind dat ik journalist was. Ik legde haar uit dat ik al mijn hele leven gefascineerd was door de islam en dat ik wel degelijk oprecht had overwogen om moslim te worden. Het werd tijd om de groep duidelijk te maken waar mijn fascinatie voor de islam vandaan kwam.
De eerste moslims die ik ooit zag waren Turken en Marokkanen. Ze vestigden zich in het midden van de jaren zestig in Ede, mijn uit de kluiten gewassen geboortedorp waar de verveling hoogtij vierde. De komst van de besnorde, donkere migranten met een vreemd geloof veroorzaakte dan ook de nodige opschudding. Ze werkten op het industrieterrein aan de rafelrand van het dorp. De zeer vrome Edenaren hadden geen besef van de islam want daar schreef de bijbel niet over. De uitdrukking vieze Turk kenden ze wel, de angst voor de Ottomanen had zich in het collectieve bewustzijn van de christenen genesteld. Ooit waren de islamitische legers gestrand bij Poitiers en Wenen, nu kwamen ze via de achterdeur weer binnen. Uit christelijke naastenliefde brachten mijn moeder en ik af en toe tweedehandskleding naar de armetierige pensions waar de gastarbeiders verbleven. Ze droegen mutsjes en rare jurken en boden ons thee aan die we niet opdronken.
Ik was gefascineerd door deze buitenaardse wezens met hun onbegrijpelijk gebrabbel maar mijn sympathie voor moslims en Arabieren zou pas in 1981 komen toen ik in een restaurant in Tel Aviv werkte. Met een handpers maakte ik dagelijks tientallen liters sinasappelsap, geholpen door Mohammed en Tawfik, twee opgeschoten Palestijnen uit de bezette Gaza-strook. Ze hadden een donkere huid en gitzwart haar. Hun synthetische kleding stonk naar zweet. De twee arriveerden op zondagmorgen en keerden op vrijdag weer terug naar de Gaza-strook. Mohammed en Tawfik sliepen op de betonnen vloer in een schuurtje dat aan het restaurant grensde. Douchen deden ze niet, alleen voor het gebed wasten ze hun gezicht, handen en voeten onder een kraantje bij de schuur. Mohammed en Tawfik werden door de eigenaar, een Marokkaanse jood, als beesten behandeld. Hij gaf ze bevelen in gebroken Arabisch en snauwde ze de hele dag af. Tegen mij vertelde de eigenaar dat dat de enige toon was die Arabieren begrepen, hij kon het weten omdat hij uit Marokko kwam. 'In je gezicht zijn ze aardig, maar zodra je ze de rug toekeert steken ze er een mes in. Tegen jou zijn ze vriendelijk omdat je geen jood bent, maar ons willen ze de zee indrijven. Zie je de haat in hun ogen dan niet? Ze hebben alles gejat van mijn familie in Marokko, onze synagogen in Casablanca zijn verbrand, onze graven geschonden. Geweld is de enige taal die ze spreken, als je niet keihard tegen ze bent lopen ze over je heen, vermorzelen ze je.' Ik had mijn schouders opgehaald.
Ik reisde met de twee jongens voor een weekeinde naar de Gaza-strook. Op een uur rijden van Tel Aviv bestond een andere wereld, vol ezels, handkarren, gesluierde vrouwen en duizenden werkloze jongens die de hele dag op straat liepen te lummelen. Bioscopen en cafés waren er niet. Meisjes boven de zestien leken niet te bestaan in die stinkende woestijn. Overal waren wegversperringen van het Israëlische leger opgericht. Tanks en jeeps denderden door de nauwe straatjes en steegjes. De weelderige tuinen van de joodse nederzettingen vormden een schril contrast met de dorre Palestijnse dorpen. Mohammed en Tawfik woonden in vluchtelingenkamp Jebalyah. Hun ouders waren in 1948 van het noorden naar de Gaza-strook gevlucht die toen onder Egyptisch bestuur stond. Ik werd met open armen ontvangen door de straatarme maar waardige familie van acht broers en zes zussen. Aan het einde van de vrijdagmiddag spreidde de moeder een kleed over de vloer. De zussen, die zich angstvallig in de keuken ophielden, brachten schalen met komkommer, tomaat, kaas, hummous en brood binnen. Ik woonde al maanden in Israël maar was nog nooit door een joodse familie uitgenodigd.
Ik was ontroerd door de eenvoud en de warmte van het gezin, door de getekende maar trotse gezichten van de ouders. We spraken in gebarentaal, soms gebruikte ik de paar Arabische woorden die ik van de twee jongens had geleerd. 's Avonds werden de ligbanken in de woonkamer tot bedden omgebouwd. Ik deelde de kamer met Mohammed, Tawfik en drie broers. De oudste, Ali, studeerde aan de met toestemming van de Israëlische autoriteiten geopende islamitische universiteit. De Shin Bet, de Israëlische geheime dienst, was bang dat de PLO te populair zou worden en steunde daarom de onschuldig ogende a-politieke islamitische bewegingen in de Gaza-strook. De islamitische universiteit van Gaza zou de bakermat van Hamas worden.
Aan de kale muren van de woonkamer hing een replica van de Aksa-moskee in Jeruzalem, een korantekst en een foto van Yasser Arafat, die liefkozend Abu Amar werd genoemd. Hij stond voor het hoofdkwartier in Beiroet, met een keffiyah, een zonnebril en een pistool in de hand, geflankeerd door een beschaafd uitziende man die Abu Jihad werd genoemd. 's Avonds dronken we eindeloos thee en keken we naar een Amerikaanse speelfilm op het eerste Israëlische kanaal. Zodra er een pikante scène kwam, schakelde de vader naar een Egyptische zender.
Na een jaar als gastarbeider in de joodse staat gewerkt te hebben, keerde ik terug naar Nederland. Ik was vastberaden om ooit Arabisch en Hebreeuws te kunnen spreken en ging uiteindelijk Semitische Talen studeren in Amsterdam. Tijdens mijn studiejaar aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem, in 1987, vroeg ik mij af hoe het Mohammed en Tawfik was vergaan en keerde ik terug naar de familie in Gaza. De intifada was inmiddels uitgebroken en woedde in alle hevigheid. Op straat brandden autobanden en houten kratten, het Israëlische leger hield mij regelmatig aan. Na vertoon van mijn studentenkaart mocht ik doorlopen, meewarig nagekeken door de soldaten die mij hadden toegesnauwd dat ik levensmoe was. Bij de familie heerste een grafstemming. Drie weken eerder was Tawfik doodgeschoten omdat hij stenen had gekatapulteerd naar het bezettingsleger. Mohammed en Ali zaten zonder enige vorm van proces vast in de beruchte Ansar-gevangenis.
Voor het eerst in mijn leven voelde ik iets van solidariteit. De islamitische wereld voelde aan als een warm nest, ik was geroerd door de onbaatzuchtigheid en de vastberadenheid van de Palestijnen. Schamperlachend lieten de joodse studenten op de Hebreeuwse universiteit mij weten dat ik gezwicht was voor de Arabische propaganda. Ik had het maar makkelijk als goi. Zij zouden een bezoekje aan een Palestijns vluchtelingenkamp zeker niet overleven, daar waren ze heilig van overtuigd. Op de campus bracht ik de meeste tijd door met de Palestijnse studenten. Ze trokken zich als tweederangs burgers terug op hun eigen verdiepingen en gingen zo min mogelijk naar het centrum van Jeruzalem. Op straat werden ze voortdurend geïntimideerd door de gevreesde Magav, de grenspolitie. De Magav bestond vooral uit zwarte Ethiopische joden en Druzen, een islamitische sekte uit het noorden. Die beschouwden zich in die tijd nog niet als Palestijnen, iets waar de Israëlische autoriteiten sluw op in hadden gespeeld. In het kader van de verdeel-en-heerspolitiek konden de Druzen als enige Arabieren in het leger dienen. Tijdens de eerste intifada waren het vooral de Druzen die vaak zonder enige reden Palestijnen molesteerden in Jeruzalem.
Op de Palestijnse afdelingen van de campus hing altijd een ontspannen sfeer. Echt hard studeerden mijn vrienden niet, bier drinken des te meer. In de weekeinden ging ik vaak met ze mee naar hun families in Galilea. Met de propaganda viel het wel mee, tenzij de copieuze maaltijden die ik steevast kreeg aangeboden een verborgen politiek wapen waren.
Mijn gastcollege in Mechelen had een merkwaardige wending gekregen. Ik had mij voorgenomen om over de islam in Brussel uit te wijden maar sprak nu openhartig over een allesbepalende periode in mijn leven. De studenten zaten op het puntje van hun stoel. Ik biechtte op dat de hoofdredacteur van het weekblad waar ik jarenlang voor schreef, mij ooit een eenzame wolf had genoemd. Helemaal gelijk had hij niet, want ik was wolf tegen wil en dank. Diep in mijn hart was er altijd dat brandende verlangen geweest om ergens bij te horen. Ik viel altijd en overal buiten de boot. Op de lagere school werd ik onophoudelijk gepest vanwege mijn rode haar en sproeten en omdat ik tot een ultra orthodoxe christelijke sekte behoorde. Wij hadden thuis geen televisie en ik kon ’s ochtends nooit mee praten over de televisieprogramma’s van de vorige avond. Hoongelach was mijn deel.
Bij gymnastiekles werd er in de kleedkamer met mijn steunzolen gevoetbald. Ik kreeg ze op doktersadvies en met het schaamrood op mijn kaken had ik ze laten aanmeten in het Bio Revalidatiecentrum nabij Arnhem. Bioscoopfilms werden in die tijd altijd voorafgegaan door reclamefilmpjes voor het Centrum. De camera volgde een druk spartelende mongool in een zwembad. Aan het einde van het filmpjes hees hij zich omhoog aan de rand van het zwembad en brulde dan: ‘En en en en weeeeet je wat ik nou het leukkkkste vind? Dat ik kkkkaaan zzzzzwemmmeen en mijn ouders niet.’ De zaal lag dan altijd plat. Ook de studenten in Mechelen waren nu in de lach geschoten. Ik vertelde ze dat er na de levensechte mongool een getekende en bijzonder ambetante kraai op het scherm verscheen die met een collectebus rammelde. Steunzolen van het Bio Revalidatiecentrum waren kortom voor mongolen. De orthopeed van het Centrum had in eerste instantie geadviseerd dat mijn voeten geopereerd moesten worden. Mijn moeder had dat faliekant geweigerd. Doorzichtige, gele steunzolen waren het gevolg en droeg ze als een kruis.
Toen mama langdurig in een inrichting verbleef vanwege een psychose was het hek pas echt van de dam. De grappen en grollen over moeder waren niet van lucht op mijn school. Nadat ze ontslagen was uit de kliniek, stortte ze zich met hart en ziel op de macrobiotiek. De ongeneselijke jeugdkanker waar mijn jongere broertje Gerard aan leed lag daar aan ten grondslag. Nadat Gerard was opgegeven door de kankerspecialist van het Emma Kinderziekenhuis in Amsterdam, had mijn moeder vertwijfeld contact gezocht bij dokter Moerman, de alternatieve kankerbestrijder uit Vlaardingen. Gerard leefde een jaar langer dan de specialisten in Amsterdam hadden voorspeld, al dan niet dankzij het dieet, dat de arts eerst had uitgeprobeerd op duiven. Tegen heug en meug werd ons gezin dagelijks bieten- en wortelsap, zilvervliesrijst en non-descripte sojaproducten door de strot gestouwd. Friet en frikadellen waren voortaan uit den boze en dat was in die tijd mijn lievelingseten.
Ik had inmiddels het gevoel alsof ik bij de psychiater zat maar de studenten luisterden nog steeds gefascineerd. Door mijn moeders passie voor macrobiotiek en aanverwante zaken - die passie combineerde ze ogenschijnlijk probleemloos met haar orthodoxe geloof - werd ze door de buurt openlijk uitgescholden voor heks. Tot mijn intens verdriet want mijn moeder was mijn steun en toeverlaat en de enige persoon die ik blind vertrouwde. Ze was psychotisch en slikte zware kalmeringsmiddelen toen ze van mij zwanger was. De dokter had mijn vader gewaarschuwd dat één van ons twee het kraambed niet zou overleven. Sindsdien hadden mama en ik we een onbenoembare band.
Mijn moeder had net als ik een zwak voor verschoppelingen en stumperds, een eigenschap die ze op mij had overgedragen. Ik raakte bevriend met de eerste negerjongen op mijn lagere en had enkel vriendjes met een afwijking, variërend van klompvoeten, bochels tot waterhoofden. Keesje was zwaar verlamd en zat in een invalidenwagentje. Zijn ouders waren van onze kerk en hadden conform de oekaze van de dominee geweigerd hun kind tegen polio in te enten, met alle gevolgen van dien. Een paar keer in de week ging ik een stukje rijden met Keesje. Dat betekende in de praktijk dat ik in een hemeltergend traag tempo naast zijn karretje liep. Ik kon het loodzware monster ternauwernood over de stoepranden trekken. Keesje fleurde echter altijd zichtbaar op als ik langskwam. Ik was zijn enige vriend. Op zijn dertiende overleed Keesje aan de gevolgen van diverse complicaties en ik huilde tranen met tuiten op zijn begrafenis, vooral toen de dominee predikte dat het zo beter was voor Keesje. Dan was er nog Arendje, een lichamelijk en geestelijk gehandicapte jongen uit Rijssen. Hij verbleef permanent in een inrichting in de bossen bij Ede en zijn ouders kwamen hem eens in de twee weken bezoeken. Dan namen ze Arendje mee naar mijn ouderlijk huis. Terwijl de twee echtparen in de voorkamer in bewogen taal over het geloof spraken, moest ik het mongooltje vermaken in de tuin. Hij was 4 jaar ouder dan ik en bovendien beresterk. Ik denk nog steeds dat Arendje mij om onbegrijpelijke redenen niet mocht, terwijl ik zijn enige speelmakkertje was. Hij trok aan mijn haren, krabde me en gaf me rake stompen. Het bezoek duurde in de regel gelukkig niet langer twee uur. Ik kon Arendje perfect imiteren. Hij stootte allerlei onheilspellende klanken uit, als een gewond dier. Tot de verschoppelingen van mijn jeugd behoorden uiteindelijk ook de gastarbeiders die ik samen met mijn moeder bezocht. Een zelfde soort sympathie voor uitschot overviel mij jaren daarna voor Tawfik en Mohammed in Gaza. Er waren veel verschillen in levensstijl tussen die twee en de Palestijnse studenten aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem, maar allen werden ze tot op het bot vernederd door de zich superieur wanende Israëli’s.
Door mijn Palestijnse vrienden werd ik volledig geaccepteerd, nooit voelde ik enige achterdocht. Een groepje joods-Amerikaanse studenten op de campus bekeek mij dat studiejaar met stijgende argwaan, grenzend aan paranoia. Ze waren modern-orthodox, wat inhield dat ze door de week vooral bezig waren met het verkrijgen van blow jobs en in het weekeinde heel strikt de regels van de sjabbat observeerden. De dudes droegen keppels met de namen van Amerikaanse honkbalclubs en waren vooral heel luidruchtig, al dan niet veroorzaakt door het roken van miezerige jointjes. Ze volgden het One Year Program van de Hebreeuwse Universiteit, een peperdure kennismaking met de joodse staat. De meesten liepen in T-shirts met opschriften als I got stoned on the West Bank en America, don’t worry, Israel is behind you. Zelfs de Israëlische studenten meden de Amerikanen als de pest. Al snel concludeerden enkelen dat ik wel een antisemiet moest zijn ‘Gaan jullie nu eerst maar eens leren fatsoenlijk Hebreeuws te spreken, dan praten we wel verder. Neem een voorbeeld aan de Palestijnse studenten, jullie semitische broeders, die spreken tenminste vloeiend Hebreeuws’, riposteerde ik in de regel.
In de jaren daarna raakte ik definitief verliefd op de Arabische wereld. Ik ervoer de islam als het warme nest waar ik altijd naar op zoek was geweest. Na mijn afstuderen woonde en werkte ik jarenlang in het Midden-Oosten als verslaggever. Mijn specialisatie was de radicale islam: Hamas, Hezbollah, het Front Islamique du Salut in Algerije, de Iraanse Revolutie. Maar nooit had ik begrepen waarom Palestijnen zich opbliezen in naam van de islam. Na de aanslagen in Amerika en de moord op Theo van Gogh stond ik als expert met de mond vol tanden. Steeds meer mensen vroegen mij stomverbaasd hoe moslims tot dergelijke gruweldaden in staat waren. Ik wist het niet maar dacht dat raadsel in Brussel op te lossen.
Ik was weer terug bij mijn boek, de reden waarom ik voor het gastcollege was uitgenodigd. De lente en de zomer in Brussel waren zacht en zwoel, de wittebroodsweken verliepen perfect. Iedere dag stond ik voor dag en dauw op en oefende de salat, het gebed en de woedoe, de rituele reiniging die er aan voorafgaat. Ik at halal, was geheelonthouder geworden en voelde me op mijn zesenveertigste fitter dan ooit. Iedere dag trok ik baantjes in het zwembad aan het Vossenplein en zwierf daarna door Anderlecht, Molenbeek, Schaarbeek, Sint-Gillis en andere Brusselse gemeentes waar veel moslims wonen. In 2006 was ruim een kwart van de bewoners van de regio Brussel-Hoofdstad moslim. Bij het bevolkingsregister was de populairste jongensnaam al vijf jaar Mohammed, voor meisjes was dat Sarah. Blijmoedig en enthousiast liep ik drie avonden en een hele zaterdag in de week college aan een islamitische academie in Anderlecht, samen met bebaarde Marokkaanse jongens en gesluierde meisjes die godsdienstonderwijzer wilden worden. Ik moet in die periode minstens vijftig lezingen hebben bijgewoond in muffe gebedsruimtes, zaaltjes van islamitische verenigingen en in moskeeën. De thema´s liepen uiteen van seksualiteit, homofilie, abortus, haram en halal, vasten, de positie van de vrouw in de islam tot de jihad. Ik demonstreerde in de zomer van 2006 meerdere malen mee tegen de Israëlische bombardementen op Libanon, temidden van duizenden woedende moslims. Ik hoopte inmiddels dat ik de studenten in Mechelen overtuigd had van mijn integere bedoelingen.
De studenten hadden ademloos naar mijn relaas geluisterd. Ik had al die tijd naar een dansende screensaver op mijn beeldscherm getuurd, heel soms een blik werpend op het aandoenlijke roodharige meisje dat mij had aangesproken over mogelijke represailles van de islamitische gemeenschap. Af en toe meende ik iets van ontroering in de ogen van het sproetenkopje te bespeuren. Het was mij gaan duizelen en ik had geen kracht meer om over mijn werkelijke dilemma te spreken. Het meisje, dat Kathelijne heette, vroeg of ze mee mocht lopen naar het station. Onderweg vertelde ik haar dat ik wel degelijk bang was maar dat het pas echt gevaarlijk zou worden als ik daadwerkelijk moslim zou worden. Een niet-moslim kon waarschijnlijk veel onbevangener over de islam schrijven dan een renegaat, een afvallige. Waarschijnlijk, herhaalde ik en voegde daar snel aan toe dat het niet mijn bedoeling was om een negatief boek te schrijven over moslims. We waren inmiddels op het station aangekomen en het meisje drukte mij tegen haar aan. ‘Pas alsjeblieft heel goed op uzelf’, fluisterde ze, ‘ik zou het heel plezant vinden om u nog eens een keer te ontmoeten. Ik zie u namelijk heel graag. Ik heb nog nooit zo’n ontroerend verhaal gehoord. Ik ga uw boek zeker kopen’. Ze kuste me op de mond en stapte in de trein naar Gent. De laatste keer dat ik lijfelijk contact had gehad met een vrouw leek een eeuwigheid geleden. Moederziel alleen wachtte ik op de stoptrein naar Brussel. Ik vervloekte mijzelf dat ik niet met Kathelijne was meegegaan. Nooit eerder had ik zo’n behoefte gehad om tegen iemand aan te liggen, mij geborgen te voelen.
In de trein naar Brussel begreep ik pas echt waarom de moed mij na een half jaar in de schoenen was gezonken. De aanvankelijke onbevangenheid en het enthousiasme waarmee ik begon, waren weggespoeld door de Brusselse regen. De grauwheid van de stad zaaide zich uit in mijn hoofd. Ik zag alleen nog maar islamitische belwinkels, islamitische groenteboeren, halal slagerijen, islamitische boekhandels, vrouwen in burka’s en mannen met baarden in soepjurken. Ik werd verteerd door twijfel, als Saul op weg naar Damascus. Door mijn ascetische levenswijze was ik er eindelijk in geslaagd om af te kicken van de drank en de drugs. Maar opnieuw roerde de duivel van de verslaving zijn staart. Ik vreesde de terugval en wachtte op een wonder, een goddelijk ingrijpen. Ik voelde mij een ghostbuster die op moslims joeg. Misschien moest ik de moslims loslaten, het leek alsof er geen zegen rustte op mijn werk.
Het islamitische milieu waarin ik mij nu bevond, had mij genadeloos teruggeworpen naar het calvinisme uit mijn jeugd. Een vreugdeloos geloof, gespeend van enige humor, met een onbeschrijfelijke angst voor het Opperwezen en het hiernamaals. Bekeer je voor het te laat is, placht mijn moeder te zeggen en daarom had ik mijn hele jeugd onafgebroken gebeden, bang als ik was voor de dood en de hel. De dood van Gerardje kwam aan als een mokerslag en confronteerde mij al vroeg met de vergankelijkheid van het bestaan. Aan het eind van zijn leven was hij gesloopt door de leukemie en de chemotherapie, al werd zijn leven nog een jaar gerekt door het Dokter Moerman-dieet.
De dood van Gerard was een zware en onmenselijke beproeving voor ons gezin. Mijn moeder raakte niet lang na zijn overlijden opnieuw in een zware psychose. Op een nacht was ik wakker geworden van geschreeuw in de slaapkamer van mijn ouders. Twee ziekenbroeders stonden naast het bed, mijn vader zat op de rand en probeerde mijn moeder te kalmeren. Ze was naakt en kronkelde als een bezetene over het bed. Ze schreeuwde: 'Ik ga naar de hemel, ik ga naar Gerard, Heere, ik kom'. Machteloos en beschaamd vanwege haar naaktheid had ik toegekeken hoe mijn moeder op een brancard werd gesnoerd en werd weggevoerd in een ambulance. Pas weken later zag ik haar weer terug, in een door bossen omgeven inrichting op de Veluwe. Ze droeg een hoofddoek en maakte poppetjes van touw, ondertussen onbegrijpelijke teksten uitkramend. Ze straalde desondanks een geheimzinnige rust uit. Pas veel later kwam ik er achter dat ze elektroshocks had gekregen. Iedere zaterdag bezocht ik haar, een jaar lang. Dan wandelden we uren door de bossen en hield ik haar hand vast terwijl ze luidkeels psalmen zong. Tijdens haar afwezigheid werden mijn jongere broer, zus en ik zo goed en kwaad als het ging opgevoed door gezinsverzorgsters, opa's en oma's, tantes en ooms omdat mijn vader moest werken.
Pas in mijn vierenveertigste levensjaar kwam ik er op pijnlijke wijze achter dat ik Gerards dood nooit had verwerkt. Nadat mijn ouders kort na elkaar waren overleden, werd hun huis verkocht en moesten mijn zus en ik de eigendommen inventariseren. Een uiterst pijnlijke taak want het merendeel van de huisraad, kleding, schoenen en andere parafernalia kon bij het grof vuil worden gezet. Met vaders bibliotheek was ik snel klaar. Hij was er heilig van overtuigd dat de joden het onheil over zichzelf hadden afgeroepen door Jezus Christus te kruisigen. Tegelijkertijd was papa een hartstochtelijke judeofiel, zij het met nadruk op de holocaust en de getuigenissen van de joden die de kampen hadden overleefd. Werkelijk ieder dagboek uit Auschwitz, Theresienstad, Birkenau en Dachau bevond in de uitpuilende boekenkast. Andere delen van de kast waren bestemd voor zware theologische werken en het weer, mijn vaders tweede obsessie. Ieder gesprek wist hij naar het weer of de holocaust te manoeuvreren. Na het overlijden van Gerard ontwikkelde hij een obsessie voor kanker. Er kwam een nieuw boekenkast bij met alles wat er in die tijd over kanker werd gepubliceerd. Uren kon mijn vader naar foto’s van tumoren staren. Af en toe mompelde hij dan: ‘tjonge tsjonge, wat zien die dingen er toch geweldig mooi uit.’
Mijn vader was een hartstochtelijke amateur-fotograaf geweest en had het leven van het gezin Van Amerongen op een gedetailleerde en haast klinische wijze vastgelegd. Bladerend door de tientallen fotoboeken werd ik voor het eerst in lange tijd weer geconfronteerd met die afschuwelijke, door mij volkomen verdrongen hellegang. Een foto, genomen op 21 juni 1973, toonde de achterkant van het Emma-kinderziekenhuis aan de Mauritskade te Amsterdam. Het bijschrift was geschreven in het onmiskenbare handschrift van mijn pa: Mama en Gerard kijken naar buiten, 2e box links van het balkon. Op de foto daarnaast staart een kaal, uitgemergeld en bijna blind jongetje door de spijlen van een ziekenhuisbed. Ik barstte in snikken uit.
De laatste maanden van zijn leven werd Gerard thuis verzorgd. Hij leek op een mummie. Iedere nacht sloop ik naar zijn slaapkamer en kneep dan keihard in zijn neus, armen of benen om mij ervan te vergewissen of hij nog leefde. Als er dan een gekwelde uitdrukking verscheen op het verschrompelde gezichtje, was ik enigszins gerustgesteld. Tegelijkertijd voelde ik mij schuldig omdat ik het weerloze kind nodeloos pijn had gedaan. Tot enkele jaren terug werd ik ’s nachts vaak wakker en kneep ik dan in slaaptoestand in de neus van mijn vriendin, om te kijken of ze nog leefde.
Een andere tic die ik opliep door de ziekte van mijn broertje was mijn allergie voor huilende kinderen. Gerard huilde iedere nacht van de pijn, een kermen dat door merg en been ging en dat ik nooit meer zou vergeten. Door mijn overgevoeligheid voor kindergehuil kreeg ik al snel de reputatie van kinderhater.
De nacht van Gerards dood kwam mijn moeder mijn slaapkamer ingelopen. Ze pakte mijn hand vast en zei: ‘Gerardje is nu in de hemel’. Ik was in alle staten. Mijn smeekbeden waren niet verhoord. Duizend keer had ik mij geknield voor de God van de Veluwe en Hem gevraagd of hij mijn broertje wilde redden. Zeven jaar na het overlijden van Gerard ging ik op naar Israël. Ik hoopte daar door een shocktherapie mijn alles verterende doodsangst te vernietigen. Daarna had ik door de studie Semitische talen in Amsterdam krampachtig geprobeerd die genadeloze God te reduceren tot een calvinistisch curiosum. Maar nooit was ik mijn diep gewortelde godsbesef helemaal kwijtgeraakt.
En nu, ruim dertig jaar later, was ik bezig om moslim te worden. Mijn moeder zou zich omdraaien in haar graf.
Ik was jaloers op mijn vrome medestudenten van de islamitische faculteit in Brussel. Zij kenden geen enkele twijfel. Een aan de opleiding verbonden imam opende iedere college met dezelfde mantra: ‘de islam is het geloof van de zekerheid.’ De islam was inderdaad een onwrikbaar geloof, net als het geloof van mijn vaderen. De kerkgangers uit mijn jeugd waanden zich het uitverkoren volk, net als de studenten in Brussel. Op de academie heerste een gevoel van morele superioriteit ten aanzien van de Belgen. Die zopen de godganse dag, vraten varkens en neukten er op los. Er was één wezenlijk verschil tussen moslims en de gelovigen van de weerbarstige zandgronden en uitgestrekte bossen op de Veluwe die het decor van mijn jeugd vormden: de islam kende het begrip predestinatie niet. Vrome moslims verheugden zich in dit aardse tranendal al op het paradijs. De hemelpoorten stonden wijd open als ze zich maar hielden aan de geboden en verboden van de islam. Al voor mijn geboorte had God beslist of ik naar de hemel of naar de hel ging. Daar was geen bidden tegen opgewassen.
Als potentiële bekeerling werd ik door moslims met open armen ontvangen. Op de academie waren ze blij met mijn aanwezigheid. Tijdens de maand ramadan genoot ik van de gezamenlijke iftars, de maaltijden die ’s avonds het vasten verbraken. Mijn medestudenten waren oprecht in mij geïnteresseerd en nodigden mij iedere keer weer vriendelijk uit om deel te nemen aan het gemeenschappelijke gebed. Ik wist hoe ik moest bidden maar iets weerhield mij ervan om mij te onderwerpen aan Allah, een verstandelijke schroom. Er was een traditie in de godsdienstpsychologie die bekering vooral beschouwde als een reactie op een persoonlijke crisis: angst, verslaving, gedragsproblemen. Welnu, aan die voorwaarden voldeed ik ruimschoots. Maar de twijfel in Brussel was nu net zo groot als toen ik Hebreeuws studeerde en overwoog joods te worden.
De trein stopt in de gewelven onder Brussel Centraal. In het verlaten station loop ik langs de plek waar eerder dat jaar de jonge Joe van Holsbeeck werd doodgestoken om een MP3-speler, praktisch op het moment dat ik me vestigde in de stad. Alle kranten meldden de volgende dag op basis van de veiligheidscamera’s dat de daders Marokkanen waren. Uiteindelijk bleken het Poolse zigeuners te zijn. Door de stromende regen loop ik naar mijn huis in de Marollen, de paraplu is stuk gewaaid. Op mijn zolderverdieping met uitzicht op het justitiepaleis trek ik de dekens over mijn oren. Naast mijn matras liggen stapels islamitische boeken maar het lukt me niet om te lezen. Ik kan de slaap niet vatten en denk aan Kathelijne uit Gent. De tijd kruipt: kwart over twee, tien voor drie, kwart over drie, vijf over half vier. In juni volgend jaar moet ik mij melden in de Grote Moskee van Brussel, om een bekeringsexamen af te leggen. Nooit eerder voelde ik mij zo eenzaam en verscheurd. Als ik eindelijk in slaap val, droom ik voor het eerst in 25 jaar weer van de hel.
BXL EURABIA
Bekeert u voor het te laat is
Arthur van Amerongen
De trotse dwaas zegt in zijn boos gemoed: 'Daar is geen God'.' Zij doven 't licht der rede en maken zich, door gruwelijke zeden, afschuwelijk: daar is geen mens die goed op aarde doet.
Psalm 14
Vrees Allah in jouw zelf, ben je soms niet bang van Allah of ben je niet bang van de dood. Ik zweer bij Allah dat de wereld zal vergaan en vroeg of laat zul je sterven en Allah ontmoeten op de dag des oordeels. En Allah zal je bestraffen en Allah is streng in het straffen.
De Ware Moslim, Diyauud-deen Al-Qudsee (in de vertaling van Mohammed Bouyeri, de moordenaar van Theo van Gogh)
Terug
