Interview
Enquête Fonds Pascal Decroos slaat aan - Ine Kolb
(Brussel, 17-08-2004) -- Het Fonds Pascal Decroos steunt al jaren kwalitatieve (onderzoeks)journalistiek door de toekenning van werkbeurzen. Om te peilen naar wat de subsidieaanvrager van het werkbeurzensysteem vindt, startte het Fonds begin april dit jaar met een enquête. En de resultaten spreken boekdelen: het Fonds is uitgegroeid tot een vaste waarde in het Vlaamse medialandschap en helpt zowel beginnende als meer ervaren journalisten bijzondere journalistieke projecten te realiseren. Met de resultaten in de hand, vroeg het Fonds twee ex-juryleden en de directeur van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten (NL) naar hun eigen ervaringen. Het leek wel of Karel Anthierens, Paul Muys en Geke Van der Wal hun antwoorden op elkaar hadden afgestemd. Opvallend eensluidende commentaar dus.
FPD: Is een dergelijke rondvraag nuttig voor het Fonds?
Van der Wal: "Ik vond het interessant en leuk. Wij hebben ook wel zin om zoiets te doen. Zelf hebben we nog nooit zo'n onderzoek gedaan.”
Anthierens: "Ja, ik vind het een goede zaak. Het feit alleen al dat zoveel mensen hebben geantwoord, bewijst de interesse ervoor. Ik ben hierdoor helemaal niet verbaasd, want het Fonds werkt altijd serieus. Dit heeft wel degelijk zin.”
FPD: In de enquête komt naar voren dat de criteria die het Fonds hanteert om projecten te beoordelen, onduidelijk zouden zijn. Heeft u als jurylid zelf ooit problemen gehad bij de beoordeling van een project?
Anthierens: "Het was mij ook opgevallen dat de criteria niet altijd even duidelijk waren. Ik moet zeggen dat ik toch meer een algemene beoordeling heb gegeven. Het was pas achteraf dat ik punten op die verschillende criteria gaf, om mijn beoordeling te legitimeren. Wij hebben daar in de jury trouwens al over gediscusieerd en iedereen was het eigenlijk met mij eens.”
Muys: "Die criteria staan bij de uitleg van een subsidieaanvraag, maar in de praktijk maken we daar niet echt gebruik van. Van nature houden we rekening met bepaalde punten, die grotendeels overeenkomen met de criteria die het Fonds hanteert. Maar zo expliciet niet, nee.”
FPD: Een tweede punt is de verplichte link met Vlaanderen, waarover nogal wat journalisten struikelen. Wat denkt u daar zelf over?
Van der Wal: "Wij vragen niet van onze subsidieaanvragers dat hun project gelinkt is aan Nederland. Enkel voor de biografieën geldt deze regel. Daar moet het wel degelijk over Nederlanders gaan. Als mensen iets in Siberië willen doen en wij vinden dat interessant, origineel en leuk bedacht, dan subsidiëren wij dat ook. We hebben net een boek over Nigeria gesponsord, dus die link hoeft voor ons niet. Ik vind de kritiek erop wel terecht. Natuurlijk investeer je graag in onderzoeksjournalistiek die zich dicht bij huis afspeelt – dat willen wij trouwens ook graag – maar als iemand een interessant project in Afrika of Amerika doet, dan subsidiëren wij dat. Als het maar boeiend is voor de Nederlander. Ik denk dat jullie dat ook zouden moeten doen en niet enkel projecten steunen die zich binnen je duik afspelen.”
Anthierens: "Misschien is het afschaffen van die regel wel iets om te overwegen. Het blijft te beperkt en ik denk dat het juist tot de taak van het Fonds behoort om verder te kijken dan onze neus lang is. Nu, als bij een waardevol project de link niet zo duidelijk is, dan zal de jury daar ook niet echt een punt van maken. Soms is het gemakkelijk te gebruiken als extra argument om een weigering te motiveren, dat wel.”
Muys: "Die link moet niet zo streng opgevat worden. Een project hoort relevant te zijn voor Vlaanderen of voor Europa. Dat is tegenwoordig zo. Maar bij de jurering tilt men daar niet zo zwaar aan, hoor. De inhoud primeert.”
FPD: Volgens enkele journalisten zou de motivering bij een subsidieweigering uitgebreider mogen. Is dit wel haalbaar?
Van der Wal: "Wij doen net alles jullie, wij zeggen alleen maar bij een afwijzing waarom we geen subsidie toekennen aan een bepaald project. Dat kan gewoonweg niet zo uitgebreid. Bij ons heb ik al journalisten gehoord die ook een motivering willen wanneer een project wél wordt goedgekeurd. Natuurlijk zou dit teveel werk opleveren, maar het is een interessante gedachte.”
Anthierens: "Ik denk het niet. Volgens mij is het ook niet wenselijk. De jury mag niet te streng zijn in haar oordeel, want projecten waarvoor het Fonds vindt dat het geen subsidie kan uitkeren, moeten daarom nog niet de grond ingeboord worden. De juryleden moeten zich ook niet te 'au sérieux' nemen en zeker niet de les gaan spellen. Het zou verschrikkelijk ontmoedigend kunnen zijn. De jury kan zich vergissen. Wanneer ze een project afwijst en dat dan tot in de kleinste details zou bekritiseren, dan kan dat wel eens gevolgen hebben. Zeker als het om jonge journalisten gaat, zouden die wel eens het idee kunnen krijgen dat ze niets waard zijn en helemaal de moed verliezen.”
Muys: "Ik heb inderdaad al stemmen hierover horen opgaan. Volgens mij is een uitgebreide schriftelijke motivering niet nodig. Ik weet zeker dat Ides (Debruyne n.v.d.r.) met veel plezier zal antwoorden op de vragen die journalisten over de afhandeling van hun project hebben.”