Kan het Fonds de onderzoeksjournalistiek redden?

BRUSSEL - Het Fonds Pascal Decroos heeft in de enkele jaren van zijn bestaan zijn plaats veroverd. Dat het aan een behoefte tegemoetkomt, valt af te leiden uit het toenemend aantal aanvragen tot steun. Vlaamse (ook wel Nederlandse) journalisten weten van het bestaan van het Fonds af en weten dat het er voor hén is.
De context waarin het Fonds opereert is jammer genoeg niet echt gunstig te noemen. Maar dat maakt de behoefte aan zo’n fonds alleen maar groter. Ik verklaar mij nader.

Het valt niet te ontkennen dat met name de schrijvende media moeilijke tijden doormaken en dat de oplagecijfers in het beste geval stagneren. Symptomatisch is dat diverse kranten en weekbladen in de afgelopen jaren hun oudere, dus meer ervaren journalisten al dan niet met een gouden handdruk aan de deur hebben gezet. Als ze al werden vervangen, was het door jonge, kneedbare, goedkopere collega’s.

Ik heb de stellige indruk dat er over het algemeen, en in vergelijking met pakweg 10 of 20 jaar geleden, minder ruimte voor specialisatie is in onze media; en laat specialisatie nu uitgerekend het voorportaal zijn tot de onderzoeksjournalistiek.

De meer gespecialiseerde vakman (of -vrouw) heeft een neus voor ‘nieuws’, kan vergelijken, feiten interpreteren, heeft zin voor synthese. In dat opzicht verschilt hij niet van zijn collega’s die dagelijks kopij toeleveren. Maar hij stelt daarbovenop ook de minder voor de hand liggende vragen, analyseert teksten tot op het bot, speurt naar diepere achtergronden, kent de netwerken en middelen die hij moet gebruiken om mogelijk méér aan de weet te komen. Hij neemt geen genoegen met het perscommuniqué, of met het standaard-interview met de bewindsman. De onderzoeksjournalist die zich in zijn onderwerp vastbijt, is een oncollegiale lastpost. Hij is duur en zijn harde werk biedt niet per se uitzicht op hogere oplagecijfers, zijn verhaal is bovendien zelden ‘leuk’ te noemen. In het ideale geval heeft hij zich op zijn redactie een aparte positie veroverd en hoeft hij zijn vakbekwaamheid niet meer te bewijzen. Hij is jammer genoeg een bedreigde soort geworden en mét zijn verdwijning gaat ook veel knowhow verloren. De omstandigheden zijn er niet naar om daar snel verandering in te brengen.

Neem bijvoorbeeld de Wetstraat-verslaggeving: journalisten van alle media staan zowat in de rij om op uitnodiging deze of gene minister te vergezellen op zijn dienstreizen. Waar is de tijd dat zo’n invitatie met enig dédain werd afgewezen? Wie zich vandaag niet naar de agenda van de excellentie schikt en het spelletje niet meespeelt, kan het wel schudden. Kandidaten om bij een volgende gelegenheid in de plaats van deze Prinzipienreiter op kabinetskosten mee op stap te gaan zijn er genoeg. Allicht levert dergelijke ‘buitenkans’ een lekker weglezend artikel op, nuttig voor het imago van de gastvrije politicus. Voor de televisie zitten er wel wat interviewtjes uit-de-losse-pols in en wat sfeerbeeld, met routineus off screen-commentaar toe. En eigenlijk vinden de meeste hoofdredacteuren dat allang goed, of ze hebben zich bij die gang van zaken neergelegd. Het is niet langer evident dat een redactie omwille van haar onafhankelijkheid zélf de reis van haar journalist betaalt. 

In zo’n omstandigheden kan onderzoeksjournalistiek niet of nauwelijks gedijen, en geeft de krant haar functie van waakhond van de democratie gewoon op. Kranten kunnen of willen zich geen journalisten veroorloven die zich weken of maanden ingraven in één of ander onderwerp en daarbij nog het risico lopen dat zo’n onderzoek niets oplevert. Elke dag moet er immers een krant zijn. Voor de elektronische media geldt eigenlijk hetzelfde. De informatie heeft ook daar, als gevolg van de strijd om de kijkers-gunst, een steeds hoger infotainment-gehalte gekregen. Een nieuwe Maurice Dewilde is er in Vlaanderen alsnog niet opgestaan.

En dan…, tja, is er het Fonds Pascal Decroos! In de voorbije jaren is het Fonds voor menig journalist een reddingsboei geweest, waaraan hij/zij zich dankbaar kon ophijsen. Het verhaal is telkens weer hetzelfde: ‘In dit onderwerp zit veel méér dan wat ik ooit in de krant waarvoor ik werk zou kwijt kunnen. Ik contacteer u om tijd te kopen, want in tegenstelling tot mijn redactie vind ik het thema beslist de moeite waard. Ik wil er graag een boek over schrijven en wat méér is: x wil het boek graag uitgeven.’ De kans was groot dat de jury op zo’n verzoek inging. Het aantal boeken over actuele onderwerpen, soms niet meer dan ééndagsvliegen, dat met steun van het Fonds is uitgegeven, groeit inderdaad gestaag aan en vult zo langzamerhand een forse boekenplank. Om te weten of deze non-fiction echt aan een behoefte beantwoordt, zouden we op zijn minst de oplagecijfers ervan moeten kennen. Voer allicht voor het eindwerk van een student communicatiewetenschap. Maar met die boeken hebben we dan toch te maken met onderzoek waarvan de resultaten voor iedereen beschikbaar zijn. Kunnen de sponsors van het Fonds redelijkerwijs méér verwachten?

Vaak ook hebben we in de afgelopen jaren aanvragers van een toelage moeten ontgoochelen, niet omdat we hen de werkbeurs niet gunden, maar omdat hun aanvraag nauwelijks iets met ‘bijzondere journalistiek’, laat staan met ‘onderzoeksjournalistiek’ te maken had.

In het beste geval ging het over recente geschiedschrijving, of een monografie over deze of gene auteur, waarbij journalistieke methodes werden gebruikt. Soms konden deze aanvragers hun project toch met succes uitvoeren, zonder de steun dus van het Fonds. Dat is prima natuurlijk.

Geregeld kwam het ook voor dat er onder de aanvragen nauwelijks enkele waren die enige steun verdienden. Dikwijls waren dit verzoeken tot betoelaging van een project waarvoor veelvuldig moest worden op en neer gevlogen naar een verre bestemming. Het was dan nog maar af te wachten of de journalistieke oogst in verhouding zou zijn.

Ook deze aanvragers kwamen in veel gevallen van een ‘kale reis’ thuis. Niet dat het gekozen onderwerp zich per se in de slagschaduw van de plaatselijke kerktoren dient te situeren, maar aan een dure onderneming behoorden we ook hogere kwalitatieve eisen te stellen.

Voor sommige persbedrijven in nauwe schoentjes (en ze zitten bijna allemaal krap bij kas) is het Fonds, dat overigens óók moet zaaien naar de zak, zoiets als een melkkoe. ‘We hebben geen geld voor die reportage, probeer het eens bij het Fonds! ‘ Daarbij vergeten ze gauw even dat het Fonds Pascal Decroos niet is opgericht om het normale journalistieke werk – zelfs maar gedeeltelijk – te financieren. De gemotiveerde afwijzing van een aanvraag kan in dat opzicht leerzaam en nuttig zijn.

Kreeg ik de kans mijn jurytaak over te doen, dan zou ik nog selectiever te werk gaan bij de verdeling van de beschikbare fondsen. Door het grote aantal aanvragen wordt de spoeling immers al gauw te dun. Het lijkt me zinvoller een beperkt aantal échte onderzoeksprojecten volop te steunen dan het beschikbare manna over een te grote groep gegadigden te laten neerdwarrelen. Af en toe merken we dat een project dat misschien de moeite waard was, niet doorgaat omdat de toegekende steun niet volstond. Vooral freelancers laten wel eens merken dat het sop de kool niet waard was en het is al eens gebeurd dat ze vriendelijk bedankten voor de als ontoereikend ervaren toelage.

De jury zou, naar het mij voorkomt, de projecten nog strenger moeten selecteren, puur op hun onderzoeksjournalistieke kwaliteiten, en hogere bedragen uitkeren voor een kleiner aantal projecten. Zo stuurt ze een duidelijk signaal uit én bewijst ze de onderzoeksjournalistiek een heuse dienst. En daar is het toch eigenlijk allemaal om begonnen?

Paul Muys, ex-jurylid - 27/01/2004

Informatie

Naam
Paul Muys

Ondersteunde projecten