Jureren voor het Fonds Pascal Decroos: een balans

(GENT, 22/12/2005) -- Het Fonds Pascal Decroos : onze trots en onze schande. Om met het laatste te beginnen : mediabazen hebben de onderzoeksjournalistiek al jaren geleden ten grave gedragen. Hun zorg om het rendement is groter gebleken dan hun zorg om de democratie. Want democratie is onmogelijk zonder onderzoeksjournalistiek, zoals de recente onthullingen in de Franstalige pers over de strapatsen van een aantal Waalse politici ten overvloede hebben bewezen.

In het kuise Vlaanderen, waar corrupte politici uiteraard niet voorkomen, spelen de schandalen zich vooral af in het bedrijfsleven. De ondergang van Lernout&Hauspie was het gevolg van onderzoeksjournalistiek. Helaas. De journalisten die het onderzoek deden, waren Amerikanen, geen Vlamingen. Hun krant heette niet De Tijd, De Standaard of De Morgen, maar The Wall Street Journal. Als je de Vlaamse kranten leest, krijg je veeleer de indruk dat de heren Lernout en Hauspie slachtoffers waren van onfatsoenlijke manipulaties, in plaats van slechte beheerders van andermans geld. Journalisten die in Vlaanderen naar de achterkant van de dingen willen kijken, moeten dat in hun vrije tijd doen _ en op eigen kosten. Schande.

Maar gelukkig is er onze trots: het Fonds Pascal Decroos, dat door zijn subsidiëringspolitiek journalisten de gelegenheid geeft tijd te ‘kopen’ en hun werkingskosten te financieren. Alle hulde dus voor de Vlaamse Overheid die het Fonds de nodige werkingsmiddelen ter beschikking stelt en blijkbaar beter dan de krantenuitgevers en omroepdirecteuren beseft hoe onmisbaar de microbe van de onderzoeksjournalistiek is voor de gezondheid van ons democratisch lichaam.

Hooggespannen verwachtingen

Toen ik drie jaar geleden vereerd werd met het aanbod om plaats te nemen in de jury om de subsidies te verdelen, waren mijn verwachtingen dan ook hooggespannen. Ik verwachtte te verdrinken in de dikke dossiers, waarin de ene sappige onthulling over de andere zou buitelen _ en dan bedoel ik niet welke politica het met welke journalist aanlegt. Dat viel zwaar tegen.

Vele indieners schijnen niet goed te (willen) beseffen wat onderzoeks- of bijzondere journalistiek precies is. Sommige zijn ‘one-issue’- activisten. Ze hebben in hun leven ooit een wantoestand meegemaakt en willen daar nu per se een boek over schrijven. Anderen zijn gepassioneerd door geschiedenis. Nog anderen zijn eigenlijk sociologen. Maar allen hebben ze gemeen dat hun aanvraag absoluut niet past in de doelstellingen van het Fonds.

Veel discussie levert dat soort onderwerpen niet op in de jury: ze worden vrijwel altijd unaniem afgewezen. De verontwaardiging is navenant. De directeur van het Fonds krijgt overvloedige haatmail van miskende genieën, die de gezamenlijke jury beschouwen als een bende onbekwame nietsnutten, die nooit geboren hadden mogen worden. Het zijn momenten waarop we dankbaar ten hemel blikken en de wijsheid van het Fonds prijzen dat ons in de anonimiteit heeft gedompeld.

Van reisbureau tot sponsor

Het Fonds biedt ook steun aan jonge, onervaren journalisten, de zogenaamde ‘starters’, in de hoop op die manier de nieuwe Hugo De Ridder, Frank De Moor of Walter De Bock te vinden. Een enkele keer wordt die verwachting  bewaarheid, zoals onlangs, toen MO*-reporter Kristof Clerix in Amsterdam de VVJ-aanmoedigingsprijs kreeg voor zijn artikel ‘From Brussels with Love’, over de activiteiten van buitenlandse inlichtingendiensten in België.

Helaas schijnen heel veel jonge vrienden het Fonds als een reisbureau te beschouwen. Ze willen met de fiets door Irak rijden om er de bommenleggers persoonlijk naar hun motieven te vragen of liftend door Zuid-Amerika trekken om ons deelachtig te maken aan de ellendige leefomstandigheden van uitgebuite Indianenvolken. Nobele initiatieven, ongetwijfeld, maar getuigend van een ten hemel schreiende naïviteit. Dat journalistiek in de eerste plaats een handwerk is dat moet worden aangeleerd, ontgaat ze volkomen. Meteen het allermoeilijkste aanpakken en dan op hun bek gaan lijkt hun devies. Voor  het Fonds is het een vorm van overmoed die het onmogelijk kan honoreren. Ligt overigens de waarde van onderzoeksjournalistiek niet vooral in het binnenland? Eigen schandalen eerst!

Aan het andere uiterste van het spectrum bevinden zich de gevestigde waarden uit onze literatuur, die ineens journalistieke aanvechtingen krijgen. Zo is er het geval van schrijver X, die zich voor een jaar met zijn gezin in land Y heeft gevestigd om vandaaruit stukjes te schrijven en die van het Fonds verwachtte dat het alle onkosten voor hemzelf, zijn vrouw en zijn kinderen zou vergoeden. Mochten we daarmee hebben ingestemd, zouden we een jaar lang geen enkele andere aanvraag meer hebben kunnen accepteren…

Een heel aparte categorie aanvragers vormen sommige zogenaamde kwaliteitsbladen. Deng bijvoorbeeld heeft het Fonds een tijdlang gebombardeerd met soms wel vijf aanvragen per sessie . Het leek erop of Deng het Fonds beschouwde als een sponsor. Vele van die aanvragen waren niettemin veelbelovend _ nee, voor de ‘onthullingen’ over mevrouw Temsamani werd het Fonds niets gevraagd. We hebben sommige ervan gehonoreerd, maar de resultaten waren niet altijd, hoe zal ik het zeggen, even overtuigend. Exit Deng. Verbazender is dat ook redacteurs van De Morgen zich met de regelmaat van de klok melden voor projecten die de krant zogenaamd niet alleen kan financieren. Hoezo, Christian Van Thillo? Vindt u, de kampioen van de vrije markt, het goed dat uw krant een beroep doet op overheidsgeld ? Zoals u ook ja zegt tegen de financiële steun van minister Bourgeois? Nee, dan het armlastige MO* , eveneens een goede klant van het Fonds, maar dan wel met inhoudelijk goede projecten en bescheiden budgetten.

Meer voor minder

Het zou jammer zijn als uit bovenstaande zou worden afgeleid dat het Fonds alleen non valeurs aantrekt. De jury vergadert één keer per trimester en moet dan telkens over meer dan 20 dossiers oordelen. Daar zitten vanzelfsprekend niet alleen aanvragen tussen die op een spontaan en categoriek ‘nee’ botsen. De meeste zijn twijfelgevallen. Je strijkt dan aanvankelijk als jurylid over je hart en geeft een klein bedragje, meestal een stuk minder dan de aanvrager gehoopt had. De totale ‘pot’ wordt op die manier versnipperd en eigenlijk is het toegekende bedrag ontoereikend. Maar bij iedere sessie zitten in de regel toch wel een paar pareltjes. We zijn nu meer en meer geneigd die het volle pond te geven en de anderen hun huiswerk opnieuw te laten doen. Meer voor minder dus.

Toch past een afscheidnemend jurylid ook enige bescheidenheid. Vooroordelen zijn des mensen en bevangen soms zelfs de kampioenen van de objectiviteit die we met zijn allen beweren te hanteren. We hebben in eer en geweten geprobeerd die vooroordelen van ons af te zetten. Maar soms hebben we ons toch vergist. Hebben we waardevolle projecten de zak gegeven en waardeloze de beurs. Daarvoor vraag ik hier vergiffenis. Maar vaak ook hebben we met gepaste tevredenheid op ons werk teruggekeken. Wie daaraan twijfelt, leze de zegebulletins des heren Ides Debruyne, directeur van het Fonds. Hij heeft minder last van bescheidenheid dan zijn juryleden. Maar hij heeft wel - een beetje - gelijk.

Walter Zinzen

Informatie

Naam
Walter Zinzen

Ondersteunde projecten