Ruim tweederde van alle lobbyisten wordt betaald door het bedrijfsleven. De rest krijgt zijn salaris van de non-profit sector in de vorm van subsidies van overheden, de Europese Commissie of donoren die storten op rekeningen voor het goede doel.
In Brussel kunnen ondernemingen moeilijker de wet voorschrijven dan in Washington. Door conflicterende nationale belangen zitten ze minder op één lijn dan Amerikaanse bedrijven. Voor Europese lobbyisten is het ook lastig dat ze niet één duidelijk doelwit hebben om op te richten. Als ze iets willen bereiken kunnen ze niet één president of congres bespelen, maar moeten ze tientallen Europese premiers, regeringen en parlementen overtuigen. Daarnaast hebben EU-lobbyisten ook te maken met de Europese Commissie, Raad en het Parlement. Vaak lopen ze en masse achter een stuk wetgeving aan dat door de handen gaat van Europese of nationale ambtenaren en politici. Bij deze race hebben lobbyisten van multinationals een natuurlijke voorsprong. Het ´project Europa´ ligt namelijk helemaal in hun straatje.