Minder korset en meer kwaliteit - Derk-Jan Eppink

(GENT, 22/12/2005) -- Journalistiek wordt per definitie voortgedreven door de waan van de dag. Dat is logisch want de meeste media - kranten, radio en televisie - moeten dagelijks nieuws brengen. Dat is op zich veel werk, temeer omdat redacties kleiner worden en in de meeste media de collectieve geheugens zijn verdwenen. Op een krantenredactie zul je nu vrijwel niemand vinden die ooit nog over een communautaire ronde berichtte. Redacteuren zijn jong, moeten vlot nieuws brengen en hoeven minder te weten. De krant van gisteren is sneeuw van gisteren. Enkel de krant van morgen telt.

Het is goed verklaarbaar waarom onderzoeksjournalistiek tussen twee stoelen valt. Het duurt te lang, het kost te veel energie en er bestaat een grote kans dat het weinig oplevert. Bovendien denken de meeste bladen dat men mensen op een amusante wijze moet informeren, met faits divers en nieuws over bekende Vlamingen. Er is geen tijd voor onderzoek en minder respect voor feiten.

Dat wil niet zeggen dat vroeger alles beter was. De media waren verkokerd in politieke zuilen, waardoor resultaten van onderzoeksjournalistiek dikwijls werden gebruikt voor zover ze pasten in filosofie waartoe het blad behoorde. Er zijn in het verleden ook grote missers begaan, zoals Notaris X en Getuige X1. Onderzoeksjournalistiek raakte in het verdomhoekje en kreeg een slechte naam.

Zelf heb ik vaak gemerkt dat je onderzoeksjournalistiek vrijwel in je vrije tijd moet doen. Je doet het naast het gewone werk van berichten, interviews en analyses maken. Je moet wrikken en wringen om tijd vrij te maken voor een speciaal onderwerp en je doet het meeste in het weekeind en alleen. Bij De Standaard maakte ik enkele projecten zoals over de familiecratie (familiebanden in de Wetstraat), de invloed van de loge in de Belgische politiek en de financiering van de partijen. Ik deed er soms maanden over om langzaam maar systematisch de stukjes van de puzzel in te vullen. In Vlaanderen is aan onderzoeksjournalist doen helaas geen volwaardige taak en blijft het het terrein van enkelingen.

Na vier jaar in de jury van het Fonds Pascal Decroos te hebben gezeten, is mij het volgende opgevallen:

1. Er zijn weinig journalisten die financiering aanvragen voor projecten over de binnenlandse politiek. De meeste willen reportages maken over de toestand in Centraal-Afrika, Patagonië, Mongolië of Cambodja. Maar over de Wetstraat wil niemand schrijven. Het enige echte onderzoeksproject in die zin was De crash van Sabena, een goed boek, al was de passage over het Astoria-akkoord naar mijn mening nog onvoldoende doorwrocht. Voor de rest kan ik me geen ander Wetstraat-thema herinneren, terwijl er in die Wetstraat toch wel wat is gebeurd.

Hoe minder onderzoeksjournalistiek, hoe geruster de politici. Zij kunnen ongestoord doorgaan met politieke redacteuren een brokje nieuws te geven, in ruil voor een mooi interview later. Dergelijke incestueuze verhoudingen worden in stand gehouden omdat onderzoeksjournalistiek volledig afwezig is.

2. Media zien een financiële toelage te veel als voorwaarde om een project uit te voeren. Ze denken: doe maar, als een ander maar betaalt. Hoofdredacteuren schrijven aanbevelingsbrieven bij de vleet, maar stoppen zelf weinig middelen in onderzoek wegens te hoge kosten en te weinig tijd. De meest aanvragen komen van enthousiaste journalisten die wel iets willen doen, maar het geld zelf bijeen moeten sprokkelen. Ze beginnen met niets. En  zonder het Fonds is er ook niets. Het Fonds moet oppassen dat het geen reisbureau wordt voor zuinige hoofdredacteuren.

3. De motivering van veel aanvragers is soms wat naïef en de oriëntatie te eenzijdig. Zo zijn er altijd dezelfde beelden die terugkeren. Globalisering is slecht. Amerika deugt niet. Het Midden-Oosten is slachtoffer. Afrika is arm. Het gaat slecht met het milieu. Europa is saai. Grote bedrijven zijn uitbuiters. Vervolgens komen er projecten die dat allemaal nog eens extra benadrukken. Er bestaan ook wel uitzonderingen. Zo was er een aanvraag van een journalist die een reis door het Midden-Oosten maakte en artikelen in De Morgen schreef. Hij zag dingen die hij niet verwachtte, en verwachtte dingen die er niet waren. Er zat een element van verrassing in. Dat is dan weer erg goed. Maar nog te veel aanvragen ontspruiten in een vlaag van zogenaamd tiers mondisme.

Waarom is nooit iemand komen aanzetten met thema’s als  de Belgische betrokkenheid in het Olie-voor-Voedselprogramma van de VN, het verleden van Abu Jahjah in Libanon, de verkleutering van de Wetstraat, de politieke familiecratie en haar gevolgen, de vraag waarom Limburg niet van de grond komt?

Waarom is niemand ooit over zulke onderwerpen begonnen, maar wel over verre bevolkingsgroepen?

4. Er zijn ook veel marginale media die op het Fonds teren, zoals MO* en Deng. Hun oplage is te klein en hun publiek te beperkt om een onderzoeksjournalistiek effect te hebben. Het is beter gelden te concentreren op projecten die een weerklank vinden bij een wat breder publiek in plaats van te preken voor de overtuigde, maar enigszins sektarische burger.

5. Naast de Wetstraat krijgen ook Europese onderwerpen weinig journalistieke aandacht. Omdat ze als ‘te ver weg’ worden beschouwd, en te ingewikkeld. Dat is jammer, want een groot deel van het beleid wordt door Europa vastgelegd. Het ontbreekt de media als geheel ook aan belangstelling voor onderzoek op Europees niveau. Toch zijn er in de loop der jaren enkele goede projecten geweest, vooral over lobbying en de invloed van bedrijfssectoren.

In verhouding tot het totale aantal aanvragen was de spoeling van goede projecten te dun. Daarvoor zijn twee oplossingen.

1. Het werd mijn overtuiging dat het beter is enkele goede projecten te selecteren en te financieren dan via een soort van ‘kaasschaafmethode’ iedereen een beetje te geven. Dat laatste is misschien eerlijker,  maar het levert minder op. Nu zijn projecten korsetten die iedereen beperken. Het is beter kwaliteit ruimer in het pak te zetten.

2. Een andere mogelijkheid zou erin bestaan om de jury enkele thema’s te laten bepalen waarop kranten, weekbladen of elektronische media met hun journalisten kunnen inschrijven als een tender. Vervolgens kan de jury oordelen welke aanbieder zij het beste in staat acht om het betreffende onderwerp te behandelen. Op die manier kun je meer geld uittrekken voor een speciaal project. De jury wacht niet bij de postbus af wat er binnenkomt, maar doet zelf ook een projectvoorstel en zoekt gegadigden.

Voor het overige was het een eer in de jury te mogen zitten. Ik heb het altijd met plezier gedaan. De leden van de jury waren prettige mensen hoewel ik misschien te dikwijls met hen van opinie verschilde. Maar daar is een jury voor.

Derk Jan Eppink

Informatie

Naam
Derk-Jan Eppink

Ondersteunde projecten