BRUSSEL - Een verkenningstocht door de Europese Unie om na te gaan hoe het gesteld is met onderzoeksjournalistiek. Een zoektocht naar antwoorden op de vraag of solide, grensoverschrijdende onderzoeksjournalistiek naar fraude, wanbeheer, of menselijke fouten bij besteding van Europees geld, kan bijdragen aan een beter Europees bestuur. Dat nam onderzoeksjournalist Margo Smit en zes van haar collegae de afgelopen zes maanden volledig in beslag.


Het idee voor de studie kwam nadat Groen Europarlementslid Bart Staes, ondervoorzitter van antifraudecommissie, hoorde van het lot van de Slowaakse tv-journaliste Martina Kubaniova. Zij maakte een reportage over gesjoemel met Europese sociale fondsen en de betrokkenheid van politici. Vervolgens raakte ze haar baan bij de openbare omroep kwijt.

Bent u geschrokken of aangenaam verrast door de staat van onderzoeksjournalistiek naar Europese zaken?
Smit: “Zeker niet aangenaam verrast. Ik had eerlijk gezegd lage verwachtingen. Om uiteenlopende redenen is het in de Europese lidstaten zeer wisselend gesteld met onderzoeksjournalistiek in het algemeen en onderzoeksjournalistiek over Europa in het bijzonder. ”

Zag u – net als in de discussie over de eurocrisis- een breuklijn tussen Noord- en Zuid-Europa?
“Nee. Er zijn landen met een lange traditie van onderzoeksjournalistiek en landen waar je die traditie totaal niet hebt. Groot-Brittannië heeft zo´n traditie, maar ook in Bulgarije zie je een stroom aan uitstekende diepgravende artikelen. Er zijn grofweg drie factoren die bepalen of in een land wel of geen goede onderzoeksjournalistiek bestaat. Determination: het gaat om individuele journalisten, die bereid zijn te investeren in diepgravend journalistiek onderzoek, vaak vanuit een kwetsbare positie. Prioritisation: media die zeggen 'dit is belangrijk onderzoek of thema, hier gaan we in investeren'. En ten slotte Cooperation: samenwerking van journalisten over de grenzen heen. Dat zit niet zo in de aard van journalisten, maar leidt wel tot betere resultaten. Deze drie factoren heb je eigenlijk nodig om het te laten lukken."

Waren de journalisten, mediadirecties en beleidsmakers verbaasd toen u bij hen aanklopte?
“Ja, erg verbaasd zelfs. De meesten waren geïnteresseerd in het thema en erg nieuwsgierig naar de staat van onderzoeksjournalistiek in Europa. Maar als je dan vroeg wat ze zelf deden, bleef het heel lang stil en dan...kwam er meestal erg weinig. Een constante lijn in hun eigen verklaring is: ze zien de Europese verhalen niet, ze hebben de kennis niet, de data zitten verborgen, er is geen geld, geen tijd, hun publiek heeft geen interesse...Dat laatste is zeer de vraag, want dat weten we gewoon niet! Als je mensen dit soort journalistiek niet aanbiedt, kun je niet weten of ze interesse hebben of niet. In Groot-Brittannië worden verhalen over Europa erg gesmaakt, al hebben die meestal een sterk eurosceptische inslag.”

Er is weinig grensoverschrijdende onderzoeksjournalistiek in Europa. Waarom?
“Het gebeurt amper, want journalisten vinden elkaar niet en er zijn onvoldoende data beschikbaar om landen met elkaar te kunnen vergelijken. Als die gegevens er wel zijn, zoals de verdeling van landbouwsubsidies via farmsubsidy.org, dan vinden journalisten elkaar wel! Nu leunt grensoverschrijdende samenwerking teveel op toevallige en individuele initiatieven. Europese instellingen kunnen de samenwerking stimuleren door data op een eenvormige manier inzichtelijk te maken.”

Heeft de EU een taak om haar eigen tegenmacht te stimuleren?
“Ja. Naast het financieel ondersteunen van journalistieke initiatieven kan de EU data beschikbaar stellen en daarmee burgers via de media meer inzicht geven. Een antigif tegen het groeiende wantrouwen. Journalisten moeten natuurlijk het initiatief nemen. Sommigen zeggen dat overheden ervan af moeten blijven, omdat informatie al snel ongeloofwaardig wordt. Maar ikzelf denk dat als je genoeg muren bouwt om de onafhankelijkheid van de berichtgeving te garanderen, de EU wel degelijk een rol kan spelen. De onlinekrant Mediapart in Frankrijk bijvoorbeeld krijgt steun van de overheid, en is tegelijk een van haar grootste criticasters.”

Europese instellingen moeten Europese onderzoeksjournalistiek toejuichen?
“Absoluut, het kan bijdragen tot beter bestuur. Dat kan als bestuurder lastig zijn, maar zoals men zegt `if you can't stand the heat, stay out of the kitchen´. Ik merkte dat sommige Europese diensten en instellingen, zoals de antifraudedienst OLAF, graag meer openheid van zaken willen geven, maar op andere niveaus nam men niet eens de telefoon op.”

Helpt onderzoeksjournalistiek om fraude en gesjoemel te voorkomen?
“Idealiter wel, maar het zal fraude niet direct tegenhouden. Mensen die kwaad willen, doen dat toch. Het blijft meestal berichtgeving achteraf. Controle door media draagt natuurlijk wel bij tot een beter klimaat tegen fraude. Ik zou het geweldig vinden als dat ook op Europees niveau lukt, maar dat zal nog wel even duren. Een belangrijk aspect is bijvoorbeeld dat journalisten laten zien dat je niet wegkomt met fraude en dat gestolen belastinggeld terugvloeit naar de publieke zaak.”

Dit artikel werd gepubliceerd in de september 2012-editie van De Vrije P€rs.

Open publication